Groep 4a - week 28

WEEK 28

de weg vragen

Aan iemand vragen hoe je ergens moet komen.

verdwalen

De weg kwijt zijn.

daar komt niks van in

Het mag zeker niet gebeuren.

het kruispunt

Het punt waar twee wegen elkaar kruisen.

iemand onder vier ogen spreken

Praten met iemand zonder dat anderen erbij zijn.

in de buurt blijven

Niet ver weg gaan.

het openbaar vervoer

Bijvoorbeeld: de bus, de tram, de trein, de metro.

de verkeersdrempel

Een flinke hobbel in de weg.

de wegwijzer

Een bord op straat dat de weg wijst.

de oprit

Een kort straatje naar je huis toe.

zweten

door warmte of inspanning vocht verliezen door de poriën van je huid

de sloop

Kussenovertrek, iets afbreken

opschieten

haasten

de rit

korte reis, tocht

steil

als iets in sterke mate schuin op- of afloopt

waterpokken

Besmettelijke kinderziekte

het verband

reep stof waarmee je een wond kunt verbinden   

spatten

met kleine beetjes vallen (op iets)

de verhuiswagen

Verhuisauto

inladen

In een voertuig laden